
Menno Voorwinde, 23 maart 2026
Ik verstijfde even.
Een koude rilling vluchtte mijn bilnaad in. Ik liep in gedachten de route die ik al ontelbare malen had gelopen en was niet voorbereid op dit moment. Ik had mijn auto op de derde verdieping – gemarkeerd door een konijntje – kunnen parkeren. Eén van de nog drie vrije plekken op die verdieping. Ik was er vaak genoeg geweest om te weten dat het druk zou zijn. En zo was het ook. Vanuit de parkeergarage en de hal met betaalautomaten liep ik naar buiten. De vrije ruimte was zonovergoten. Ik was op mijn telefoon de barcode aan het zoeken waarmee ik moest inchecken. Toen ik opkeek voelde ik de rilling. Van achteren liep er bijna iemand tegen me aan, omdat ik plotseling stil stond. Naast de hoofdingang lag tussen de struiken en bomen het met houten tuintafels gevulde terras waar personeel en patiënten even van de buitenlucht konden genieten, een lunch gebruiken of gewoon wat drinken.
Talloze keren was ik daar al achteloos langsgelopen, maar ook dat is permanent veranderd.
Het is de luchtplaats voor bajesklanten waar ik door bezoekers mee naar toe werd genomen tijdens mijn gevangenschap op afdeling AO verdieping vier van TerGooi ziekenhuis. Het was een onverwachte en allerminst prettige ervaring, die nog even aanhield toen ik de hoofdingang betrad. Voor me lag de lange gang – mijn ‘Green Mile’ – die ooit naar mijn duisternis leidde. Helemaal aan het eind van die eindeloze gang. Ik schudde het van me af toen ik de afslag nam naar afdeling D2, MDL.
Daar zou ik gaan horen of ik leverkanker heb.
Ik was tien minuten te vroeg en was net gaan zitten toen ik werd opgemerkt door de ‘regelverpleegkundige’ met wie ik, lang geleden al, onmiddellijk een klik had. Ze is oprecht meelevend, open en in alle opzichten een goed mens. Ze kwam bij me zitten en uitte haar blijdschap dat ze me in levende toestand aantrof. Ze had van de zijlijn meegekeken met mijn handel en wandel in TerGooi en had (terecht) gevreesd voor mijn leven. Het deed me goed haar brede lach te zien, met het in het zonlicht schitterende diamantje op haar rechtervoortand. Zoals al het verplegend personeel moest ze weer snel door. Ik beloofde haar bij haar balie op te zoeken tijdens een volgend bezoek. Ze was nog niet weg of de dokter kwam me halen. Hij is mijn ‘vaste’ MDL arts en had tijdens mijn gevangenschap al een MRI van mijn onderbuik laten maken. Bij mijn vrijlating was de uitslag nog niet bekend.
Ik heb een nogal verminkte lever.
Een groep van deskundigen was uiteindelijk tot de conclusie gekomen dat er geen aanleiding was om aan te nemen dat er zich een tumor had verstopt in de homp littekenweefsel in het midden van mijn lever. Mijn arts was er niet helemaal gerust op en laat via bloedafname een marker opsporen. Mijn leverwaarden zullen nooit meer de hoofdprijs winnen, maar liggen nog niet op een aanvaardbaar niveau. Eén van de oorzaken was mijn dramatische val van de nierfunctie. Hierdoor werd de lever overbelast, meer dan hij aankon. De nieren kruipen inmiddels weer richting geruststellende waarden en dat zou ten goede moeten komen van mijn leverwaarden. Maar dat is geen garantie. Geen dokter durft te beweren dat er niet nóg meer onherstelbare schade is aangericht.
Ik kan natuurlijk helemaal niets met die informatie. Ik moet me concentreren op de zaken waar ik wél een doorslaggevende hand in kan hebben. En dat is voorkomen dat ik weer bajesklant wordt op Afdeling AO verdieping 4. Daar hoort een niet te onderschatten aandeel gemoedsrust in. Voor mij een opgave op zich. Gelatenheid kan je oefenen. Ik word daar al beter in.
Onderweg naar buiten kwam ik de verpleegkundige tegen die zich bovenmatig had ingespannen mijn ontslagbrief bij de doktoren los te peuteren waardoor ik weer vrij man was. Het was haar gelukt. Bescheiden lachend knikte ze naar me.
Glimlachend liep ik de parkeergarage in, naar verdieping konijntje.

Geef een reactie