Ik schreef ooit een column over mijn ‘goeie’ opa en mijn ‘foute’ opa. En dan bedoel ik WOII-goed en -fout. Maar vooral hoe mijn kijk op goed en fout is veranderd.
Vandaag moest ik daar weer aan denken toen ik een (re)tweet van Eva Hoeke zag. Ze poste de visie van Bas van Putten in screenshots. Bijna vloeibaar geschreven, zo goed. Bovendien sloot zijn analyse naadloos aan op mijn veranderde beeld over stelligheid in het algemeen en met betrekking tot de enkeling in het bijzonder.




De ene opa – hij werkte mee aan een verzetskrantje – was de ‘goeie.’ De andere opa – vocht aan het oostfront en kreeg daarvoor straf in de Limburgse mijnen – was de ‘foute’ opa. Gevoerd door de haat van mijn vader naar de ‘foute’ opa, nam ik de ‘foute’ duiding klakkeloos over. De meest verschrikkelijke verhalen deden in familiekring de ronde. Zo zou hij handgranaten hebben gegooid in kelders waar vrouwen en kinderen zich schuilhielden. Niet alleen werd de haat gevoed door mijn vader, maar ook door de broer van mijn vader en de ‘goeie’ opa.
Mijn moeder deed er het zwijgen toe.
Aldus werd het bevooroordeelde zaadje der haat in mijn kinderbrein geplant. Mijn ‘goeie’ opa stierf toen ik elf jaar was. Mijn ‘foute’ opa vele jaren later. Dit werd door mij als ‘bewijs’ gezien dat er geen rechtvaardigheid bestaat (ik was stapelgek op mijn ‘goeie’ opa). Tot ver in mijn tienerjaren heb ik meegedaan aan de hetze. Tijdens kerstdiners en andere familiebijeenkomsten zocht ik bewust ruzie met de ‘fouterikken’ in de familie. Onwrikbaar overtuigd van mijn eigen gelijk. Nooit nam ik de moeite om de heksenjacht op rechtvaardigheid of waarheid te toetsen. Mijn bewondering voor, met name, mijn vader voorkwam een objectieve blik.
Het zwijgen der tongen aan de ‘foute’ kant, werd als bevestiging van ons gelijk gezien. Pas decennia later moest ik mijn vooringenomenheid wegslikken en stortte de vestingmuur rond mijn ongelijk in. Dankzij mijn moeder.
Mijn moeder, altijd zwijgzaam over de oorlog net als mijn ‘foute’ grootouders, trok uiteindelijk haar mond open. Tegen mij. Toen ze oud en eenzaam was. Ik ken haar nog slechter dan Nico Dijkshoorn zijn moeder kende (Lees: Ooit Gelukkig). Weifelend deed ze haar verhaal. Ik zou nooit meer hetzelfde zijn.
Ze vertelde dat Duitse legerofficieren haar moeder verkrachtte en dat zij en mijn opa moesten toekijken. Ze hielden pistolen tegen haar hoofd en dat van haar moeder. Ze dreigden haar en haar moeder te vermoorden als haar vader niet het leger in zou gaan en voor de Duitsers zou gaan vechten. Mijn opa was niets zonder mijn oma en mijn moeder, dus hij ging. Met de verschrikkingen in zijn hoofd als bagage. Hij overleefde de oorlog, werd gestraft en leefde de rest van zijn leven in geestelijke marteling door de waarschijnlijk nog gruwelijkere bagage die hij mee terug nam. Dat hij met versteende stoflongen zich langer vastklampte aan het leven dan mijn andere opa, kwam uitsluitend door zijn onbeschrijflijke angst om na zijn dood zich aan hogere machten te moeten verantwoorden.
Zijn leven was een hel. En wij waren zijn demonen.
Geef, met die wetenschap, maar eens antwoord op de vraag wat je moreel waard bent. Wie durft nog te beweren een goed mens te zijn als je deze test niet hebt ondergaan? En bestaat er wel een ‘juiste’ keuze? Ik wou dat ik met terugwerkende kracht het anders had gedaan. Beter. Mijn opa had beter verdiend. Mijn moeder ook. Ik heb ze allebei tekort gedaan. En daar schaam ik mij kapot voor.
Of ik een goed mens ben? Ik zal vele barrières moeten slechten om ook maar in de buurt van een antwoord te komen.
Dankzij mijn moeder kan ik in ieder geval een poging wagen.

Geef een reactie