Menno Voorwinde, 12 maart 2026

Toen mijn eeuwigdurend verblijf in Tartarus plotseling was afgelopen en ik bij een minder donkere plek aankwam werden mijn oudste dochter en ik bij binnenkomst gewaarschuwd.

Er was iemand doodgegaan en er zou een uitgeleide plaatshebben. We knikten respectvol en bedankte de receptioniste voor de waarschuwing. Ik was nog murw van TerGooi Ziekenhuis en niet in staat überhaupt ergens van te schrikken. Mijn oudste dochter schrikt allang niet meer van de dood. Ze komt uit de (terminale) zorg. Ik heb die dag niets gezien van een uitgeleide of een verdrietige menigte die, in het zwart gehuld, hun verdriet over ons uitstortte. Ik was het min of meer al vergeten. Vandaag ligt mijn buurvrouw in het geriatrische revalidatiecentrum dood te gaan. Al de hele dag is het een komen en gaan van mensen die bellen, huilen en verhalen uitwisselen. Meestal in het smalle gangetje waar zowel haar als mijn ‘voordeur’ aan gelegen zijn.

Het schiet door mijn hoofd dat ik wel eens in de kamer kan verblijven van de dode waarvoor wij werden gewaarschuwd. Ik moet fronsen van mijn eigen onverschilligheid. Ik was terug aan het sterfbed van mijn oma, waarbij het precies zo ging. Al was dat in een verzorgingshuis. Zuiderheide in Hilversum. Het bestaat niet meer. Althans niet in de hoedanigheid waarvoor het was bedoeld. Herinneringen zonder emotie.

Een kat met drie poten.

Ik vind het storend. Het is te druk en er zijn veel te veel mensen. Ik heb het al vaker meegemaakt en heb zelden zoveel weerzin gevoeld bij een herinnering als nu. Door vreemden, nota bene. Het is wel duidelijk dat ik niet de oude ben en dat is misschien maar goed ook. Het harnas is op maat gemaakt en past me goed.

Ik denk dat ik het voorlopig maar aanhou.

Disclaimer: Lees gratis, doneer vrijwillig.

Met trots aangedreven door WordPress


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *