Menno Voorwinde, 11 maart 2026

 

Als je TerGooi ziekenhuis binnenloopt zie je voor je een veel te lange gang.

Alle afdelingen en specialisaties zijn via die gang bereikbaar. Alles zit aan één kant. De rechterkant. Toegang tot de geriatrie en SEH (Spoed Eisende Hulp) zitten helemaal aan het eind van die hele lange gang. Als je aan je linkerkant naar buiten kijkt, zie je voornamelijk werkzaamheden. Het lijkt nog niet ergens op, dus wat daar uiteindelijk  moet komen, is niet in te schatten. Het doet voorkomen alsof het losstaat van de rest van het ziekenhuis en dat het een soort wandelroute moet worden. Binnentuinen zijn er wel al, maar, zoals gezegd allemaal aan de rechterkant.

Na mijn vijfde opname dit jaar zie ik de lange gang als ‘de weg naar verdoemenis.’ Inmiddels is mijn haat en angst voor die gang misselijkmakend. Letterlijk. Als ik te lang aan die gang denk, of aan mijn persoonlijke Tartarus (in Griekse mythologie de donkerste plek nog onder de onderwereld van Hades), die aan het eind van die gang wacht wordt ik daadwerkelijk kotsmisselijk en moet ik me inspannen om mijn maaginhoud binnen te houden. Aan het eind van die gang míjn Schimmenrijk. De meest eenzame plek die er bestaat. En elke keer als je er komt wordt die plek donkerder. Afdeling A, verdieping 4, hoger kun je niet. Ik ben daar vijf keer terechtgekomen nadat ik ‘gezond’ was verklaard, maar vrijwel onmiddellijk weer moest worden opgenomen wegens wéér een onverklaarbare delier. Er zal geen zesde keer komen. Ik ga liever dood en terwijl ik lees wat ik typ, weet ik ook dat het niet waarschijnlijk is dat ik die woorden ooit nog ‘ns zal typen.

Een delier wordt wel eens vergeleken met ’n delirium, maar dat is onterecht. Een delirium is maar één mogelijkheid die valt onder een breed scala van mogelijke fysieke aandoeningen onder de verzamelnaam delier. Een delirium is vrijwel altijd drugs of drank gerelateerd en dat sluit bij mij die mogelijkheid uit. Ik drink al bijna 22 jaar niet meer en gebruik nog langer dan dat geen drugs. Zelfs roken heb ik vijf en half jaar geleden opgegeven. Dat zie ik een willekeurige gelovige me nog niet zo snel nadoen (verder dan agnost ben ik nooit gekomen).

Wat wél werd gemeten is een explosief gestegen ammoniakgehalte in het bloed (hyperammoniëmie). Bij de laatste ziekenhuisopname werd een meting van bijna 200 micromol per liter gemeten (alles boven de 45 micromol/pl is gevaarlijk). Doktoren hebben zich ongans gezocht naar mogelijke oorzaken terwijl mijn schimmenrijk donkerder en donkerder werd. Zij zochten; ik kwijnde weg. Ver weg. Eenzaamheid heb ik nooit zo verpletterend aanwezig gevoeld als daar. De doktoren zochten en ik wachtte. Grotendeels met een kwelgeest als gezelschap: de gekmakende routine der dagen. Je mag daar de verdieping niet af zonder bezoek. Datzelfde bezoek moest mij ook weer terugbrengen. Vaak dacht ik aan Maarten Biesheuvel (oh, zijn eenzame hoofd!).

Na de ergste paar van die ammoniakbombardementen kon ik me achteraf niets van mijn ‘daden’ herinneren. Van mijn naasten hoorde ik pas later wat ik had gedaan. Meestal werd erom gelachen, behalve door mij. Het leek over iemand anders te gaan. Als ik dan toch gek aan het worden ben, waar ik op zich niets op tegen heb, sta me dan tenminste de herinnering toe. De aanvallen werden heviger en leken dichter op elkaar te kluiten, maar gebeurde slechts in mijn thuisomgeving. Nooit op een plek waar ik continue werd geobserveerd. Bij het laatste ‘overleg’ lag er een verassing voor me klaar: ik had verbaal één van mijn beste vriendinnen bedreigd en had een mes in mijn keelstoma proberen te steken. De kamer zat vol met doktoren en verpleegkundigen en enkele naasten. Ik hoorde het voor het eerst en zonk weg in ’n ongekend diepe depressie. Eén van de doktoren vroeg hoe ik ‘me daarbij voelde.’ Ik wilde in woede ontsteken, maar mijn verwarde diepe somberheid won die strijd met gemak.

In de verte voelde ik vaag de zweepslag van verraad.

Ik trok mij terug uit het gesprek nadat ik tegen de betreffende dokter had gezegd dat het onmogelijk was om daar nu op te reageren. Het gesprek verliep als ik had verwacht: voorspelbaar en in rondjes. Als een hond die eindeloos achter zijn eigen staart aanrent. Ik was in complete verwarring en wilde slechts weg. Ver weg van waar ik was. En toen kwam het wonder langs. De transferverpleegkundige had een vrijgekomen plek kunnen reserveren, waar ik twee weken lang terecht kon (ik zit daar nu dit stukje te tikken) om te revalideren van de delierbombardementen. Mijn meest dierbaren zijn opgelucht en blij. In mij woedt een storm van chaos.

Ik weet vrij zeker dat ik nooit meer hetzelfde zal zijn.

 

Disclaimer: Lees gratis, doneer vrijwillig.

Met trots aangedreven door WordPress


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *