
Menno Voorwinde, 11 april 2026
Het gaat steeds beter met me, maar dat is niet altijd even leuk.
Uiteraard ben ik buitengewoon blij om uit de hel van de zorgbemoeienissen te zijn. Althans grotendeels. De nazorg is net zo irritant, maar elke dag maar een kort moment. Ik merk aan den lijve dat de thuiszorg gevangen zit in het verstikkende web van bureaucratie en gebrek aan (kundig) personeel. Inmiddels heb ik twee leidinggevenden in de thuiszorg op de koffie gehad. Eén daarvan zelfs twee keer. Een derde leidinggevende bemoeit zich met mij vanachter een e-mailadres.
Allemaal hebben ze toezeggingen en veranderingen voorgesteld. Sommige voorstellen kwamen van mij, andere van henzelf. Allemaal zijn ze met groot enthousiasme omarmd. Geen van de aanpassingen – die zonder uitzondering werk besparen – zijn doorgevoerd. Dus onderga ik het dagelijks bezoek van een medewerker ’s ochtends gelaten, maar inwendig tandenknarsend. De knul heeft geen idee wat hij komt doen en controleert uitgebreid de, niet geringe, medicatie die ik ’s ochtends moet innemen. Hij spreekt slecht Nederlands en als ik hem zaken probeer uit te leggen kijkt hij mij glazig en jaknikkend aan, om de volgende dag hetzelfde ritueel te herhalen.
Eergisteren stond hij opeens een potje met catmilk te bestuderen dat toevallig in de buurt van mijn medicatie stond. Om maar even zijn deskundigheid te onderstrepen. Het is hem niet duidelijk te maken dat hij slechts hoeft te kijken of ik de ochtendmedicatie heb ingenomen en dus geen delier heb. De toezeggingen die zijn gedaan om dit soepeler te laten verlopen zijn achtereenvolgens: een tablet met videoconsultatie (maakt bezoek overbodig), mij uit de route van de knul te halen en mij toe te voegen aan de route van de koffieleutende leidinggevende. Toegezegd, maar niet gebeurd.
Ik weet het, het is klein leed.
Mijn gezondheid is duidelijk aan het herstellen (voor zover dat mogelijk is). Ik krijg steeds meer zin om dingen te doen en ben me tegelijkertijd bewust van het gevaar dat daarin schuilt. Te druk betekent direct een onaanvaardbaar risico op een nieuwe delier. De angst daarvoor heeft me stevig in zijn greep. Gelukkig, want dat zorgt ervoor dat ik me constant bewust ben van wat ik aan het doen ben. En als het teveel dreigt te worden ik onmiddellijk stop met waar ik mee bezig ben.
Met de verhoogde levenslust, komen ook alle oude ‘vrienden’ weer langs. Zo heeft de Dood zich weer comfortabel op mijn schouder geïnstalleerd. Hij heeft me duidelijk gemist, want hij laat geen gelegenheid onbenut om me uitvoerig te pesten met grootspraak. “Had ik je toch bijna een paar keer te pakken” is zijn favoriete zinnetje. Ik hoor hem gniffelen. Alsof hij me zo uit het leven had kunnen grissen. Ik maak hem makkelijk boos. “Je bent een schandvlek voor je vak, want je kreeg me niet. Met je zielige zeisje.” Dan trekt hij zich weer even terug, chagrijnig mompelend.
Zei hij nu “uiteindelijk ben je toch van mij”?
De gecontroleerde chaos neemt ook langzamerhand weer bezit van me. En dat is fijn, daarin voel ik me thuis. Heel langzaam kruipt mijn leven weer naar het niveau van voor mijn eerste delier. Ik heb het zelfs gewaagd tickets te kopen voor de nieuwe cabaretvoorstelling van Marcel van Roosmalen op 28 mei as. in de stadsschouwburg van Utrecht. Een dag voor mijn verjaardag ga ik daarheen met mijn broer Henk. Stilletjes hoop ik dat ook Eva Hoeke er zal zijn. Zij is tenslotte de reden dat ik durf te schrijven en bovendien een geweldig mens (jaja, ik stop al met schmieren). Hoe dan ook: ik ben voorzichtig optimistisch.
En dat is voor mij al heel wat.

Geef een reactie