
Menno Voorwinde, 14 juli 2026
Afgelopen week mocht ik voor het eerst sinds een langere periode op controle komen in ziekenhuis Tergooi Hilversum. Dat is bijzonder, omdat de laatste keer de afsluiting was van wekelijkse controles (na een reeks delieren) omdat zowel lever als nieren een voorzichtig hoopgevend herstel hadden ingezet. Voordat ik de MDL arts kon zien moest er eerst, een week van tevoren, bloed worden geprikt en urine afgegeven. Daarna hetzelfde ritueel, alleen dan een week later voor de Nefroloog. Er waren daarom twee bloedprikmomenten ingepland, maar een ervaren laborante wist daar één moment van te maken. Twee vliegen in één klap. Het kostte me een paar buisjes bloed en een ongepland wc-bezoekje extra, maar dat had ik er graag voor over.
Sinds het stukje dat ik tikte tijdens mijn revalidatie wist ik dat er permanent iets kapot was gegaan. In mijn hoofd. Mijn directe omgeving begint dat voorzichtig ook te zien. Dat kan ook bijna niet anders na de massale ammoniak aanval op mijn hersenen. Vooral mijn kortetermijngeheugen is het voornaamste doelwit. Daarnaast lijk ik een soort taalblindheid te hebben ontwikkeld. Elke tekst die ik schrijf moet ik goed nalezen, omdat er steeds vaker onbegrijpelijke fouten inzitten. Maar het gaat me nu even om dat geheugenverlies.
Ik was vergeten wat het met me deed als ik vanuit de parkeergarage het terrein van het ziekenhuis opliep waar de imposante hoofdingang zich bevindt (godallemachtig, ik klink als een reisgids). Hoe dan ook, ik heb die korte wandeling van parkeergarage naar ziekenhuis altijd als prettig ervaren. Meer dan prettig, eigenlijk. Vanuit de parkeergarage stap je bijna onmiddellijk in een soort park, met wandelpaadjes, torenhoge bomen en een campingachtig afzetting met picknicktafels in kleine hofjes waar personeel en patiënten van pauzes kunnen genieten. Het geruststellende gevoel dat me altijd overkwam, lag niet daaraan – het helpt wel – maar voornamelijk aan de zekerheid dat me hier niets kon gebeuren. Als ik hier spontaan een hartaanval zou krijgen, was ik binnen mum van tijd gered. Dat idee. Zeer geruststellend.
Dat is anders nu. En ik was het vergeten.
Het is nu een herinnering aan een gitzwarte periode die ik hier heb moeten doormaken. De gevangenschap, de verwardheid, de diepe depressie en de eenzaamheid van mijn verblijf. Het kwam allemaal terug bij het aanschouwen van de hoofdingang van het ziekenhuis. Geen rustgevende omgeving die daar iets aan kon veranderen. Het raakte me vol in mijn gezicht. De herinnering die ik – kennelijk – had opgesloten was acuut losgebroken en de hordes namen bezit van mijn hoofd. Eenmaal door de hoofdingang durfde ik niet naar het einde van de gang te kijken. Mijn Green Mile. Met aan het eind de lift naar mijn cel.
Het laboratorium voor bloedprikken zit gelukkig vlakbij de ingang en ik hoefde niet lang te wachten. Het beklemmende gevoel trok langzaam weg. De hordes trokken zich weer terug in de donkere krochten van mijn geheugen. Onderweg naar huis had ik het alweer bijna van me afgezet. Ik weiger in angst te leven. Hoe vaak die zich ook aandient. En dat kwam sneller dan ik dacht.
Het schijnt dat mensen altijd dromen tijdens de slaap. Ik kan het me echter zelden herinneren. Heel soms kan ik me flarden van dromen herinneren, en die kloppen nooit met de werkelijkheid, wat prettig is omdat je dat toch al hebt meegemaakt. De nacht voordat ik naar de MDL arts mocht droomde ik een droom die ik me nu nog kan herinneren. Een nachtmerrie, feitelijk. Ik liep vanuit de parkeergarage het park in. Alles was grijs. Er stond een wind die alles vervormde. Alles bewoog, behalve ik. Plotseling werd het hoofdgebouw twee keer zo groot en boog zich voorover mijn kant op. De hoofdingang zat nu helemaal bovenin het gebouw en sperde zich open als een gigantische mond. Vlak voordat hij me zou verslinden schrok ik wakker.
Een vriend kwijt; een vijand erbij.

Geef een reactie