
Menno Voorwinde, 27 juli 2006
Daar zat ik dan. Twee verdiepingen onder de grond in een rode rolstoel.
Ongeveer twee weken geleden gingen mijn longen er plotseling in recordsnelheid op achteruit. Ik kon op een gegeven moment niet meer dan een meter of twintig lopen, zonder naar adem te moeten happen. Zoals altijd keek ik het even aan. Dat was van korte duur deze keer. Het was mis en dat wist ik. Voor mensen die met een apparaatje moeten praten (TruTone Emote) is contact zoeken met een ziekenhuis een ramp. Bij Tergooi Hilversum kun je zelfs alleen maar bellen en over de telefoon ben ik net zo duidelijk als R2-D2. Al twee jaar krijg ik te horen dat er aan een digitaal communicatiekanaal wordt gewerkt. Voor een ziekenhuis dat ‘vergat’ een parkeergarage met 2000 plekken te bouwen, wekt dat niet veel vertrouwen. Mijn longarts zit gelukkig in het AUMC of VUMC – de namen worden door elkaar gebruikt – en kan je in ieder geval via een bericht bereiken. Antwoord kan tot vijf werkdagen duren.
Voor spoedgevallen belt u met….enzovoorts.
Op donderdag had ik een bericht gestuurd aan mijn longarts en op maandag had ik nog geen reactie. Omdat ik met mijn dochter video kan bellen, ben ik voor haar wel verstaanbaar. Ik vroeg haar om te bellen met het AUMC voor een spoedafspraak. Inmiddels ging ik zwaar hijgend door het leven. Het was niet meer te doen. Als bijkomend verzoek vroeg ik of ze met me mee kon gaan omdat ik voorzag dat ik de wandeling van de parkeergarage naar de polikliniek niet zou halen.
Het zou allemaal iets anders lopen.
De longarts zat propvol met afspraken en ging bovendien binnenkort op vakantie. Mijn dochter kreeg het advies om mij bij de SEH (Spoed Eisende Hulp) af te leveren. Mijn klachten zouden worden doorgegeven. Dinsdagochtend mocht ik me daar melden. Mijn dochter kon gelukkig met me mee anders had ik nog twee verdiepingen onder de grond in een rode rolstoel gezeten. Mijn stoerdoenerij, trots en ego had ik laten sneuvelen. ‘Nooit, maar dan ook nooit zou ik in zo’n ziekenhuisrolstoel gaan zitten. Niet zolang ik nog kon staan, verdomme!’ In de kleine kring om mij heen was die koppigheid zelfs een symbooltje voor mijn eigenwijsheid geworden. Ik had al die stupide verheven trots in no-time overboord gekieperd. De realiteit wint het altijd van het ego.
Als een vis die te lang op het droge had gelegen, was ik dolblij met het te kleine emmertje met een laagje water erin.
Het was rustig op de SEH. Mijn dochter had me zonder schijnbare moeite naar binnen gemanoeuvreerd. Vrijwel onmiddellijk kreeg ik een eigen ‘kamer’ (een ruimte met een gordijn als schuifpui), maar wel met de benodigdheden die noodzakelijk zijn bij eerstehulpverlening. Voor ik het wist had ik een infuus en waren er allerlei onderzoeken in gang gezet. Uiteraard nadat ik een karrevracht aan vragen had moeten beantwoorden. De dokter kwam al snel langs met de eerste bloeduitslagen. Die gaven een zorgwekkend laag HB aan. Een bloedtransfusie was geboden. En wel onmiddellijk. Er moest nog een bloedafname plaatsvinden om mijn bloedgroep vast te stellen.
“A resusfactor positief” riep ik meteen. “Dat geloven we graag, meneer Voorwinde, maar dat moeten wij nu eenmaal óók vaststellen. Aansprakelijkheid en zo.”
Ik heb inmiddels geleerd mijn bezwaren of ongenoegen in te slikken. Elk bezwaar dat een patiënt maakt, wordt bestraft met een verlengd verblijf. En dat wil niemand. Dus knikte en slikte ik. Na niet al te lange tijd werd mijn bloedgroep bevestigd en kon het besteld worden. Twee zakken bloed van elk 300 milliliter moesten erin. Elke zak zou tussen de twee en tweeëneenhalf uur duren. Daarna moest er aansluitend nog een zak ijzeroplossing in. Dat zou eigenlijk de volgende dag in ziekenhuis Tergooi gebeuren, maar ik heb dat aan kunnen laten sluiten. Wel zo efficiënt. Ondertussen was in rap tempo de SEH vol aan het lopen en moest ik verplaatst worden naar de spoedopname afdeling in het ziekenhuis. Het was een kamer voor twee. Er lag een man naast me die ik niet kon zien omdat het gordijn was dichtgetrokken. Ik zag hem pas toen hij ontslagen was en methadon had gekregen. Hij zwabberde weg en op zijn witte hoodie stond de tekst: “make money, not friends.”
Al het vocht zat erin en ik mocht weg met een antibioticakuur. Ik ben nu een week verder maar geen steek. Ik ben vermoeider dan ooit – ik slaap meer dan me lief is – en mijn longen tonen nog geen tekenen van herstel. De röntgenfoto’s die gemaakt waren, gaven geen onrustbarend beeld. Dankzij de antibioticakuur ben ik continue misselijk en is mijn eetlust weg. Volgens de artsen zal het enige tijd duren voordat ik de effecten van de behandeling ga merken.
Ik heb niet gevraagd hoe lang. Dom.

Geef een reactie