
Menno Voorwinde, 17 april 2026
Ik moest mijn onwrikbare voornemen breken.
Eerder schreef ik al dat ik iets kwijt was, maar niet wist wat. Dat was niet iets materieels, maar iets abstracts, nauw verbonden met mijn karakter en geest. Ik ben dat nog steeds kwijt en ik weet nog steeds niet wat. Ik weet wel wat het me kost, want ik heb wel iets anders teruggevonden. Mijn vermogen om alles wat me persoonlijk kan raken te isoleren. Dat is niet per se een kwaliteit waar ik op zat te wachten. Het beschermt me tegen heftige emoties zoals bijvoorbeeld intens verdriet. Die kunnen, bij mij, behoorlijk overweldigend zijn. Ik weet ondertussen wel dat isoleren niet hetzelfde is als wegvagen. Een uit isolatie ontsnapte emotie kan zomaar een niet te stoppen kettingreactie teweeg brengen. En dan weet je maar nooit waar ’t eindigt. Meestal niet op een fijne plek.
Er zit nog een nadeel aan vast. Het vlakt me af tot de verpersoonlijking van nietszeggende eenheidsworst. Een lege huls. Zo’n beetje alles wordt betekenisloos, want in die onnatuurlijke staat dringt niets door. Als je een beetje fatsoenlijk wilt schrijven, is die staat buitengewoon ongewenst. Daar komt nog eens bij dat wat ik kwijt ben, in die staat nooit terug ga vinden. Maar de angst is groot. De angst om te verdrinken in vrijgevochten verdriet, woede of andere heftige emoties ligt op de loer. Mijn isolatiekelders liggen er vol mee.
Geen moment was het in me opgekomen om nog maar in de buurt te komen van mijn Tartarus. Maar toch gebeurde het. Uit eigen vrije wil zelfs. Ik ben namelijk nog iets kwijt geraakt. Dit keer wel iets materieels. Iets waar ik ongelooflijk veel waarde aan hecht. Iets dat al ruim drieënhalve decennia in mijn bezit was. Iets dat speciaal voor mij is gemaakt. Een zilveren hangertje aan een leren touwtje. Het is geen reet waard, behalve voor mij. In dat hangertje zit het eerste tandje van mijn oudste dochter. De Oer-Ex Janny – ook moeder van mijn oudste dochter – heeft dat laten maken voor me. Nooit ben ik het kwijt geraakt, wat op zich al een wonder is.
Ik hecht me niet erg aan materiële zaken. Wel aan de herinnering die er mee verbonden is. Dat zijn niet veel dingen en daar zit ook een bepaalde hiërarchie in. Er zijn omstandigheden te bedenken dat ik afstand van dingen doe waar ik zelf een mooie herinnering aan heb. Ik moet dan de overtuiging hebben dat ik daar iemand anders een groter plezier mee doe. Maar goed, daar valt dat kettinkje niet onder. Sinds ik ontdekte dat ik het kwijt ben kijk ik bovenmatig veel naar wat mensen om hun nek hebben hangen. Op tv, in de supermarkt en bij visite. Ik word er gek, maar vooral heel erg verdrietig van. Hoe kon ik die ketting in vredesnaam kwijtraken?
En waar?
Mijn herinnering laat me weer eens compleet in het duister tasten. Ik kom niet verder dan dat ik hem af moest doen toen ik meegedeeld kreeg dat ik een MRI scan ging krijgen. Ik lag toen nog in het TerGooi ziekenhuis, afdeling A4, kamer 10. De plek waarvan ik heb gezworen nooit meer terug te keren. Ik weet zeker dat ik hem toen goed heb opgeborgen. Niet dat ik me dat kan herinneren, maar omdat ik dat altijd deed als ik het kettinkje af moest doen. Of was ik ‘m vergeten af te doen en werd ik erop gewezen bij de afdeling radiologie? Ik weet het niet meer. Het zou kunnen dat ik ‘m heb afgegeven aan iemand in mijn directe omgeving, maar niemand heeft zich gemeld. Het zou zelfs kunnen zijn dat ik mijn staat van verwarring de ketting tijdelijk in bewaring heb gesteld van een verpleegkundige, al lijkt me dat sterk.
Dus daar ging ik. Weer moest ik die oneindige gang door die naar mijn persoonlijke hel leidde. Weer moest ik de lift nemen naar boven, die voelde als de afgrond. Maar ik moest. Ik moet alles proberen om de marteling van dit gemis te stoppen. Ze hadden niks gevonden. En ze hebben écht gezocht. Een half uur heeft een medewerker van haar tijd opgeofferd om alle mogelijkheden na te gaan. Niets. De afdeling radiologie, de bewaking en de receptie bij de hoofdingang hadden ook niks gevonden.
Mijn huis heb ik al drie keer overhoop gehaald. Honderden zakken twee keer nagekeken, tassen binnenste buiten gekeerd. Niets. Misschien zit hij ergens in de droger, want die liep in één keer vast bij het drogen van mijn eerste wasje toen ik uit het ziekenhuis was. Maar die droger staat op de wasmachine en die krijg ik niet in mijn eentje ervan af. Daarvoor moet ik hulp vragen. Bepaald niet een van mijn sterke punten.
Ik kan de droger ook zo laten staan. Dan kan ik misschien leren leven met het idee dat ik het kettinkje toch nog heb.
Schrödingers kettinkje.

Geef een reactie