Menno Voorwinde, 4 mei 2026

Zolang ik mij kan herinneren, ben ik twee minuten stil om acht uur ’s avonds op vier mei.

Ik zag gisteren een kort filmpje in zwart-wit voorbij komen van een dodenherdenking die ergens eind jaren zestig of begin jaren zeventig moet zijn geweest. Het was een impressie met beelden van verschillende locaties. De Dam met prins Bernhard in legeruniform en koningin Juliana aan zijn zijde. Het publiek stond vlakbij. Het was doodstil. Een ander shot was van een drukke straat, met honderden mensen. Auto’s waren gestopt en de bestuurders stonden als standbeelden naast hun vervoermiddelen. Drommen mensen stonden doodstil voor zebrapaden en op trottoirs. Je kon een speld horen vallen. Het was een stilleven, twee minuten lang.

Zelf heb ik mijn auto ook een keer langs de snelweg geparkeerd, iets voor achten op vier mei. Ik had daarvoor pech gehad en zou daardoor te laat thuis zijn. Langs me heen scheurden de auto’s gewoon door. Op een enkeling na. Het was ergens in de jaren negentig. De eenzaamste dodenherdenking die ik me kan herinneren.

De Tweede Wereldoorlog heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in mijn familie. Vooral omdat gezworen vijanden gedwongen werden samengebracht door het huwelijk van mijn ouders. Dat was voelbaar op feestdagen waar een groot deel van de familie samenkwam. Kerstdiners, bijvoorbeeld. Mijn broer en ik voelden als jonge kinderen die spanning wel, maar dachten dat erbij hoorde. We stelden toen nog geen vragen. Dat werd anders toen we uitgegroeid waren tot opstandige tieners. Die drang om vragen te stellen werd voornamelijk gevoed door gefrustreerde woede-uitbarstingen van mijn vader en het eeuwige zwijgen van mijn moeder.

Mijn vader was de voornaamste bron voor de verhalen die antwoord moesten geven op onze vele vragen. Zo zou mijn opa, van mijn moeders kant, op aandringen van mijn oma aan het oostfront hebben gevochten, in dienst van de Duitsers. Zowel mijn oma als mijn opa waren lid van de NSB. Volgens mijn vader was mijn oma de kwade genius achter de acties van mijn opa, die mijn vader als ruggengraatloos bestempelde. Een ander verhaal, dat van mijn moeder, vertelde een ander verhaal. Mijn oma zou zijn verkracht door Duitse officieren onder de ogen van haar kinderen en haar man. Mijn opa zou zijn gedwongen om aan het oostfront te vechten. Anders zou het slecht aflopen met zijn gezin. Dit verhaal kreeg ik pas te horen toen ik al lang en breed volwassen was en mijn vader allang begraven was.

Mijn moeder was anderhalf jaar oud toen WO II uitbrak.

Toen eindelijk de documenten uit WO II voor het publiek toegankelijk werden, zijn mijn broer en ik naar het Nationaal Archief in Den Haag gegaan en hebben – na de nodige aanvragen en voorbereidingen – de documenten over mijn opa en oma kunnen inzien. Onze bevindingen waren beduidend anders dan de familieverhalen. Zowel van mijn vader als van mijn moeder klopten de verhalen niet. Uit de documenten bleek dat mijn opa helemaal niet zo wilsonbekwaam was. Tegelijkertijd was mijn oma helemaal niet de kwade genius waarvan ze werd beschuldigd door mijn vader.

Mijn opa was vrijwillig lid geworden van de NSB en had mijn oma ook lid gemaakt. Hij was actief in het werven van nieuwe NSB’ers via flyeren. Hij is vrijwillig naar het oostfront gegaan omdat daardoor hijzelf en zijn gezin bonnen voor eten zouden krijgen. Dat is ook gebeurd, de bonnetjes ervan heb ik in mijn handen gehad. Mijn oma heeft haar lidmaatschap van de NSB opgezegd, op het moment dat mijn opa naar het oostfront was vertrokken. Mijn opa had geen berouw toen hij na de oorlog was gearresteerd. Verraden door zijn ‘makkers’ van de NSB. In één van zijn verklaringen zegt hij dat hij zo weer hetzelfde zou doen.

Op latere leeftijd was hij een introverte, bibberende en vooral angstige man geworden. Hij is vijf jaar langer blijven leven dan de doktoren hadden voorspeld. Opa was ervan overtuigd dat hij na zijn dood ter verantwoording zou worden geroepen door een hogere macht.

Nee, dan mijn andere opa. De vader van mijn vader.

De verhalen over hem waren minimaal. Hij zou het verzet hebben gediend door betrokken te zijn met het drukken van een illegaal krantje in Den Haag. That’s it.

Ik heb niet de behoefte om dat verder uit te zoeken. Soms moet je voor je eigen gemoedsrust een, al dan niet verzonnen, verhaal gewoon geloven. Elke familie verdient op z’n minst één held. Vanavond om acht uur denk ik aan allemaal. Mijn foute en goede familieleden. Maar ook aan alle slachtoffers van elke oorlog waar dan ook. Want als ik iets heb meegekregen is het wel dat oorlog het ergste is wat mensen kan overkomen en altijd onrechtvaardig is.

Ik hoop dat dit beschadigde besef weer door gaat dringen bij huidige en toekomstige generaties.

Maar ik vrees het ergste.

 

Disclaimer: Lees gratis, doneer vrijwillig.

Met trots aangedreven door WordPress


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *