Menno Voorwinde, 13 maart 2026
Mijn ‘buurvrouw’ ligt nog steeds dood te gaan.
De deur stond wagenwijd open en het kamerscherm was ingeklapt tegen de muur gezet. De verpleging had de bedhekken omhoog gezet en met rubberachtige kussens bekleed. Zo kan ze niet uit bed vallen en geen blauwe plekken oplopen als ze ongewild tegen zo’n hek aanstoot. Het was vroeg, kwart voor zes en het was stil in de gang. Ik keek naar mijn buurvrouw maar voelde niets. Nog niet zo lang geleden zou een cluster aan empathie-explosies voor chaos in mij zorgen. Chaos waar ik goed op drijf. Ik probeerde dat proces te forceren, maar het lukte niet. Geen enkel gevoel drong door.
De vergelijking met een lobotomie drong zich aan me op.
Ik staarde nog een tijdje naar de buurvrouw. Ze lag er vredig bij, maar dat hoeft niet zo te zijn. Ik heb haar kreten horen uitslaan die niet stroken met een vredig heengaan. Afscheid van het lelijke en het mooie uit een mensenleven. Ik kon blijven staan zolang ik wilde, ik wist nu al dat er geen emotie mijn harnas zou doorboren. Ik ging verder met wat ik van plan was en trok de deur open die haaks staat op de deur van de buurvrouw. Net zoals de vorige keer stond de badkamer volgepropt met poepstoelen en andersoortig gestoelte. Robotachtig zette ik alles op de gang van verdieping Vermeer.
Mijn buurvrouw zal niet meer douchen. Nooit meer. Ik dacht het, maar voelde er niets bij.

Ik had de badkamer bijna ontdaan van alle overbodig aanwezige troep en moest ik denken aan de film The Green Mile. En dan vooral aan David Morse. Hij had de ondankbare taak om ter dood veroordeelden te begeleiden naar de laatste zitplaats (elektrische stoel) onder luide aankondiging: ‘Dead man walking.’
Ik maakte daar de lelijke verbastering op ‘dead man douching’ en moest grinniken. De dood heeft hier een eigen kamer. Hij neemt de een na de ander. Maar mij krijgt hij voorlopig niet. Ik word elke dag sterker.
Kwade tongen zouden kunnen fluisteren dat ik met de dood samenspan.

Geef een reactie