
Menno Voorwinde, 24 april 2026
Het leek alweer een eeuwigheid geleden, maar het waren slechts een paar maanden.
Het was een prachtige dag. Volop zon. Precies wat je mag verwachten van een beginnende lente. Mijn eerste afspraak was pas om één uur ’s middags. Ideaal want daardoor geen verkeersopstoppingen. In de herinneringsmail stond vermeld dat ik een half uur van te voren aanwezig moest zijn. Vaag kon ik me de bedoeling daarvan herinneren. Je had dan de tijd om je longen tot rust te laten komen. Of zoiets. De longfunctietest was de eerste afspraak uit een reeks van drie die dag. Daarna volgden nog de longarts en dan door naar de KNO arts voor een tracheastoma-controle.
Ik had de rit al honderden keren afgelegd. Ik kon de route dromen: van Hilversum naar het AUMC op de Boelelaan in Amsterdam. Maar sinds mijn eindeloos lijkende ziekenhuisverblijf naar aanleiding van een reeks delieren, is niets meer hetzelfde. Twijfel heeft een prominente plaats in mijn hoofd opgeëist. Voor alle zekerheid had ik Google Maps aangezet. Ik zag het niet eens als een nederlaag, meer als een geruststelling. Ik bleek hem niet nodig te hebben. Fijn.
Om iets voor half één was ik op de afdeling waar ik werd verwacht. De incheckzuil vertelde mij vriendelijk dat ik was aangemeld en dat ik plaats kon nemen in de wachtruimte. Ik zou worden opgehaald. Ik had net een warme chocolademelk getapt (in ziekenhuizen hebben ze de allerlekkerste chocolademelk) toen ik werd geroepen. Een half uur te vroeg. De man herkende me van de vorige keer. Ik hem niet. Pas toen hij honderduit ging babbelen, rinkelde er vaag een belletje. Maar meer ook niet.
Een longfunctietest is geen pretje voor iemand met een beperkte longfunctie dankzij COPD en COPD gerelateerde astma. Zo iemand als ik dus. Toch had ik er ‘zin’ in, omdat het een indicatie kon geven over het herstel van mijn lichaam nadat mijn nieren en lever bijna uitgevallen waren. Die zitten alweer een tijdje in de lift. Dat wakkert de behoefte aan om mezelf te testen, al weet ik dat ik daar heel voorzichtig in moet zijn. Een terugval ligt als een sluipschutter op de loer. Wachtend op het ideale schot. Maar goed, ik was in een ziekenhuis. De beste omgeving om zonder terughoudendheid alles te geven tijdens de test. Een longfunctietest vergt het uiterste van je longen bij het meten van opname- en uitstootkracht. Via een mondstuk (in mijn geval een stomavariant) dat aangesloten is op een computer, worden alle inspanningen vastgelegd en de uiterste waarden bepalen je definitieve longfunctiecapaciteit. Bij de laatste test moest ik heel hard alle lucht uit mijn longen blazen en dat zo lang mogelijk volhouden. Dat veroorzaakte een tijdelijke blokkering van mijn denkvermogen. Voor een korte periode kon ik alleen waarnemen, maar niets zeggen of doen. Het is niet opgemerkt. Ik liet het voor wat het was.
Hij ging de testresultaten zo snel mogelijk doorsturen naar de longarts.
Ik keek in mijn agenda en zag dat mijn eerstvolgende afspraak, bij de longarts, pas over anderhalf uur zou zijn. Dat was een tegenvaller. Zonder goede hoop probeerde ik bij de receptie de afspraak naar voren te schuiven. Na een snelle ‘nee’ volgde een ‘wacht even…’ waarna ik toch een half uur eerder terecht kon bij de longarts. Een uur wachten. Dat was te doen. Voor het ziekenhuis staat een AH to go inclusief aanpalend terras. Een mooie kans om te lunchen en mijn middagmedicatie tot mij te nemen. Onfortuinlijke bijkomstigheid was dat ik staand moest genieten van de zon en lunch omdat kennelijk het hele ziekenhuis had besloten daar de lunch te nuttigen. Ik werd er niet chagrijnig van. Ik was ‘lentemild.’
De longarts liet me een grafiek zien waarop alle longmetingen, die over de jaren bij mij zijn gedaan, in kaart waren gebracht. Lang verhaal kort: mijn longfunctie zit op hetzelfde niveau als in 2017. Hoeveel dat in percentage was, heb ik niet gevraagd. Ik wilde me laven aan het goede nieuws dat er geen noemenswaardig achteruitgang was vastgesteld. Al zijn de pieken en de dalen me op de grafiek niet ontgaan.
Op naar mijn geliefde KNO arts en levensredder, dr. Eerenstein.
De eeuwigheid was op vijftien januari van dit jaar begonnen. Dokter Eerenstein wist het nog. Ze wist me te vertellen over de vochtafdrijvende drain die ik toen nog moest krijgen. Ik heb haar dat verteld, al kan ik me dat niet herinneren. Het deed er ook niet meer toe. Het slangetje met de camera drong dit keer via mijn mond in plaats van mijn neus het verborgen universum in mij binnen. “Dat kon ook,” zij ze. Mij maakte het niet veel uit. Het scheelde slechts één traan die standaard mijn wang afglijdt bij de entering van mijn neusholte. De conclusie was zoals bijna altijd: mijn binnenkant zag eruit zoals ze van me gewend is. Niet denderend, maar goed genoeg. En het allerbelangrijkste: geen teruggekeerde kanker.
Ze vond dat ik er een stuk beter uitzag dan de vorige keer. “Niet zo vaal meer.”
Maar dat zegt ze altijd als ik haar zie.

Geef een reactie