Menno Voorwinde, 16 augustus 2026

Gisteren was mijn moeder precies vijf jaar dood.

Ik weet niet of anderen in mijn familie daarbij hebben stilgestaan. Het zou kunnen, maar ik heb er niemand over gehoord. Ikzelf heb het ook niet gemeld. Op de een of andere manier delen we elkaars rouw niet of nauwelijks binnen de familie. Geen idee hoe dat komt. Ik heb het geluk dat ik er in ieder geval over kan schrijven. Dat helpt.

Het heeft even geduurd, maar de as van moeder ligt op de bodem van ’t Mouwtje in Bussum onder een overhangende wilg. Dat was althans de bedoeling. Haar lievelingsplek in haar lievelingspark. Ik heb haar toen met mijn broer daar uitgestrooid. Wij hadden geen ervaring met het uitstrooien van as op water. We zagen moeder wegdrijven van de wilg op de tergend langzame stroming van de slingerende sloot. Onverwacht, maar zo slecht nog niet. We werden er stil van. Langzaam verdween het hoopje as in de verte.

Mijn broer en ik beloofden elkaar plechtig met regelmaat terug te keren, maar zoals dat altijd gaat tussen ons: er komt zelden wat van.

Ik denk vaak aan de doden. Veel vaker dan toen zij nog leefden. Dat geldt in ieder geval voor mijn ouders. Mijn moeder en ik hadden elkaar niks te melden. We hielden van elkaar, maar dat was het dan wel. Mijn moeder zorgde voor alles in het huishouden en wat nodig was voor mij en mijn broertje. Ik nam het voor lief, terwijl het een eenzaam bestaan moet zijn geweest. Als mijn vader weer eens tekeer ging tegen ons, koos ze altijd onze kant. Bang dat we klappen zouden krijgen. Ondertussen schroomde ze er niet voor te dreigen met klikken aan mijn vader als we ons weer eens misdroegen. En dat was schering en inslag.

Ik heb haar tijdens haar leven tekort gedaan en daar schaam ik mij voor. Ik had haar veel meer moeten waarderen tijdens het leven. Daarom zal ik altijd een beetje rouwen om mijn moeder en op 15 augustus nog wat extra. Wel heeft dat besef me anders in het leven gezet en dat komt door haar. Mijn oog voor anderen is scherper gesteld.

Door mijn ellenlange medische historie en de ontelbare bezoekjes aan dokters en ziekenhuizen heeft die veranderde blik me geholpen. Bij ziekenhuisopnames de korte gesprekjes met verplegend personeel, waarbij ik mijn waardering en bewondering duidelijk liet doorschemeren, is van het soort onbezoldigde soldij dat een zorghart sneller doet kloppen. Zelden zag ik zoveel wederkerende waardering als bij de handen aan het bed.

Hetzelfde geldt voor de dokters, al is die dynamiek anders. Niet voor niets kan ik het uitstekend vinden met dr. Eerenstein, Hoofd KNO en gespecialiseerd in kankergezwellen. Een van de talloze keren dat ik in het ziekenhuis lag (VUMC A’dam) zag de dokter dat ik het boek ‘Nooit Ziek Geweest’ van Nico Dijkshoorn las. Dat was een lange tijd mijn gezelschap in het ziekenhuisbed. Ze vroeg waar het over ging. Ik legde dat kort uit en zij vertelde het droevige verhaal van haar vader. Ze vroeg of ze het mocht lenen. Uiteraard mocht dat. Inmiddels heb ik het aan haar geschonken omdat ze er steeds niet aan toe kwam. Ik was van de verontschuldigingen af en zij kon in alle rust bepalen wanneer ze het zou lezen. Bij mijn laatste controle (afgelopen week) vertelde ze dat ze het aan haar oudste dochter had uitgeleend en die had het in één ruk uitgelezen. Zij zet nu haar moeder onder druk om het te gaan lezen. Ze vond het geweldig.

We zagen allebei de ironie.

Nadat zij de controles had uitgevoerd (zoeken in de nekstreek naar bultjes en daarna met de camera slokdarm en luchtpijp in) vroeg ze hoe lang het geleden was. Ze bedoelde de datum van de operatie waarmee zij mijn leven redde. Bijna zes jaar geleden. En toen zij ze iets wat ik dokter nog nooit eerder zo stellig heb horen zeggen:

“Jouw kanker komt nooit meer terug.”

 

Disclaimer: Lees gratis, doneer vrijwillig.

Met trots aangedreven door WordPress


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *