
Menno Voorwinde, 6 augustus 2026
Eén zinnetje zorgde voor een – iets vertraagde – enorme schok.
Sinds mijn ontslag uit het revalidatiecentrum na een reeks ziekenhuisopnames door eenzelfde aantal delieren, had ik niet meer aan hem gedacht. Niet meer met hem gepraat. Alsof hij plotseling in rook was opgegaan. Vertrokken met het stukje geheugen dat ik kwijt ben geraakt. In een niet zo ver verleden schreef ik regelmatig stukjes over hem en de verstoorde relatie die we hadden. Hij is al negenentwintig jaar dood, maar ik praatte elke dag met hem. Onzichtbaar voor de buitenwereld, veilig binnen de grenzen van mijn schedelomtrek.
Mijn vader.
De schrik kwam afgelopen week. Ik las een stukje van Nico Dijkshoorn waarin hij zoiets schreef als: “U zult wel denken, daar heb je hem weer met zijn vader.” Ik las het stukje uit en toen kwam de schok. Het duurde even tot het me vol in het gezicht raakte. Het besef dat hij weg was uit mijn hoofd. Ik had hem onbewust laten gaan. Alsof hij er nooit was geweest. Hoe is ’t mogelijk.
Het ergste is nog dat ik ‘m niet had gemist.
In meerdere stukjes heb ik, vlak na mijn ongeveer zesweekse verblijf in het ziekenhuis, geschreven over het onbehaaglijke gevoel iets permanent kwijt te zijn geraakt. Omdat ik, behalve mijn kortetermijngeheugen, geen duidelijk gemis kon vinden, ging ik ervan uit dat het niet meer was dan dat. Hoewel mijn geheugenverlies er natuurlijk een fors aandeel in had, heb ik de volledige impact volkomen over het hoofd gezien.
Ik heb altijd met mijn vader gepraat om zelf antwoorden te vinden op de ontelbare vragen die overbleven toen hij het loodje legde. Ik ben gek noch geestelijk uitgedaagd; het was een – voor mij – goede constructie om antwoorden te krijgen voor de openstaande grieven. Daarbij kwam ook nog eens dat ik zijn gezicht niet wou vergeten. Althans zo begon het. Het grootste deel van ons leven hadden we ruzie. Mensen, dichtbij ons, meenden dat dat kwam omdat we zoveel op elkaar leken. Ik vond dat te makkelijk en met name zeer onbevredigend. Vooral het moment van zijn dood was onverteerbaar. We hadden net de eerste voorzichtige stappen gezet naar wederzijds begrip, toen hij ertussen uit kneep.
Als je negenentwintig jaar met een dode praat, krijg je nooit eerlijke antwoorden. Het zijn de vragen waar het om gaat. De vragen die je feitelijk aan jezelf stelt. Het heeft in ieder geval bij mij geleid tot een mate van zelfreflectie die ik niet voor mogelijk had gehouden. Het heeft me gedwongen mijn eigen falen onder ogen te zien en niet alle verwijten richting vader af te vuren. Uiteindelijk zijn we vrienden geworden. Twee klootzakken die elkaar eindelijk begrepen.
Terwijl ik al drie dagen worstel met dit stukje, plaatste Nico Dijkshoorn vandaag een stukje op het platform Substack (hij doet dat overigens iedere dag en ik raad het iedereen aan). En, hoe verrassend, het ging over een dode vader. Niet zijn eigen vader, maar de vader van een zangeres die er een wonderschoon liedje over heeft geschreven en gezongen. Hier vind je het. Ze legt het zelf uit.
Hoewel ik in eerste instantie nogal in de war was na mijn persoonlijke ontdekking dat mijn vader was vertrokken uit mijn hoofd, lijk ik er gek genoeg vrede mee te krijgen. Zijn gezicht begon al te vervagen, dus was het misschien wel gewoon tijd. Ik denk dat ik af en toe nog wel met hem ga praten. Ik denk over wat minder beladen onderwerpen. Vrienden onder elkaar.
Maar het hoeft niet meer elke dag.

Geef een reactie