
Menno Voorwinde, 16 juni 2025
Gefeliciteerd, Pa! Tjongejonge, wie had dat gedacht. Zesennegentig jaar vandaag. Op naar de honderd, ouwe!
Ik ben zo blij dat we de laatste jaren zulke fijne gesprekken hebben. Eindelijk is het gelukt om een balans te vinden tussen onze botsende karakters, die zoveel op elkaar lijken. Negenentwintig jaar geleden maakten we een begin om het bij te leggen. Dit was, denk ik, moeilijker voor jou dan voor mij. Hoewel het mij ook niet in de kouwe kleren ging zitten. Even leek het erop dat we voor eeuwig ruzie zouden hebben. Maar we konden niet zonder elkaar. Dat spraken we natuurlijk nooit uit. We wisten het allebei.
Ruim daarvoor waren we elkaar al kwijtgeraakt. Ik belande in een milieu waar ik door drank en drugs de demonen in mijn hoofd stil kreeg, maar sloeg daar uiteindelijk in door. Het koste me een paar keer bijna mijn leven. Jij deed pogingen me uit dat milieu te trekken. Dat werkte averechts, bij zowel mij als bij mijn geliefden. Zoals zo vaak verzandden goede bedoelingen in toegevoegde schade. Je pogingen waren toentertijd gedoemd te mislukken. Mijn zelfdestructieve neigingen waren op een hoogtepunt.
Ik kan me onze eerste gesprekken nog goed herinneren. Doodzenuwachtig was ik. Jij woonde al op de Tony Offermansweg in Laren en al mijn motorvoertuigen waren kapot of gestolen, dus ik moest op de fiets naar je toe. Het waren de eerste gesprekken na jaren van stilte tussen ons en storm in mijn leven. We dronken bij jou thuis een biertje, praatte soms alsof er niets was gebeurd en probeerden wanhopig de zwakke plekken in het ijs te ontdekken zodat we het konden breken. We wisten ook wel dat dat niet in een paar gesprekjes zou gebeuren. Maar langzamerhand zijn we er toch gekomen. Ik heb je toen een gedichtje gegeven, dat ik voor je had geschreven. Het was een grappige limerick – dacht ik – naar aanleiding van een gebeurtenis die ik had zien gebeuren. Iets met een kind, poep en een stokje.
Jij legde het achteloos naast je neer. Nauwelijks een blik op het papier en geen commentaar. Weg was de opening die ik had bedacht. Je was niet van plan het me makkelijk te maken. Ik had eigenlijk ook niet anders verwacht. Als ik in mezelf kijk, zie ik jou. Dat is niet altijd een prettig beeld, maar dat weet je zelf ook wel. Al zal je dat nooit toegeven. Ik heb jouw woedeaanvallen geërfd. Ik heb ook jouw angst geërfd. De angst die ik onder dezelfde lawines heb bedolven als jij. Mij kon je niet voor de gek houden. Ik zag het allemaal. Al heeft dat wel verdomd veel tijd gekost. Daarom koester ik de tientallen jaren dat we bijna dagelijks met elkaar praten. We doen het nog steeds. Tegenwoordig als vrienden.
Achtentwintig jaar geleden kwam er vanaf april plotseling schot in onze gesprekken. Je sloot je niet langer af, maar stelde je open. Je werd redelijk en nam de tijd me de dingen uit te leggen die ik nog niet had begrepen.
Je moest er wel eerst voor doodgaan. Op één april 1997. Je laatste grap.
Gefeliciteerd, Pa, ik spreek je morgen weer.

Geef een reactie