Menno Voorwinde, 13 maart 2026

Er is iets kapot gegaan.

Niet door de dolgedraaide deliermolen. Niet door de fysieke aanslag die dat had kunnen veroorzaken. Niet iets dat ik zag aankomen. Het precieze moment kan ik onmogelijk aangeven. Het was er opeens. Of beter gezegd: het was er opeens niet meer. Een hap uit mijn karakter, door mijn hoofd vertaald naar verlies. Ik vind dat erg en het stoort me mateloos. Het elastiek is geknapt ergens in het, deels vernederende, verblijf in het ziekenhuis. Ik heb me daar boos, verdrietig, verraden, in de steek gelaten, als kind, gevangene en als nummer gevoeld. Voor een te lange periode. Ik kan er niemand de schuld van geven (alsof dat zou helpen). Ik wil het terug, want ik herken mezelf nog maar gedeeltelijk. Er is een stukje afgebroken en ik kan het niet meer vinden.

Het kan niet beter geïllustreerd worden door het verhaal van mijn ‘buurvrouw.’ Een verhaal waar ik nieuwsgierig naar zou zijn, maar niet ben. Het verhaal dat emoties bij me losmaakt, maar wat niet gebeurt. Hartverscheurend verdriet van naderend verlies, dat ik zelf zo goed ken. Als vanzelf zou ik meeleven met elke traan die werd geplengd, maar het gebeurde niet.

Vriendin Anita en ik waren afgedaald van de tweede verdieping naar de begane grond om koffie te drinken en een gebakje te eten. We hadden net de boel naar binnen gewerkt toen er een uitvaartbusje voor de deur stopte. Het was een exacte kopie van het busje waar mijn moeder een paar jaar geleden door werd opgehaald. Ik besefte dat toen de achterklep open werd gemaakt en ik vanuit het restaurant naar binnen kon kijken. Heel even ving ik een glimp op van mijn moeder. In de verte deed het me vaag iets, maar het drong niet door.

De mannen in uitvaartkledij reden een brancard naar binnen met daarover een rouwkleed gedrapeerd. Het verplegend personeel en bekenden van de overledene maakten een ereboog naar de uitgang. Ik zat er vlakbij en herkende niemand.

Een fitte, oude man nam het woord: “Ik ben de echtgenoot van de overledene. In korte tijd is mijn vrouw snel achteruit gegaan en nu dus overleden. Maar het is niet anders.” Hij klapte de handen op elkaar, alsof een klus was geklaard. Hij leek opgelucht en allerminst verdrietig. Dat verbaasde me, maar meer ook niet. Het duurde nog even en toen vond de uitgeleide plaats. De overledene werd op dezelfde wijze ingeladen als mijn moeder. Met de man voorop maakte een klein gezelschap de eerste stappen van de laatste reis. Ik voelde verdriet. Maar alleen maar omdat ik niet verdrietig was geworden.

Ik ging naar mijn kamer en zag dat mijn buurvrouw rustig lag te slapen.

 

Disclaimer: Lees gratis, doneer vrijwillig.

Met trots aangedreven door WordPress


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *